Het model dat meer over storingen gaat dan over communicatie
TL;DR
- Het Shannon-Weaver model (1948) is ontwikkeld door wiskundigen voor telefoontechnologie – niet door communicatiewetenschappers
- Het schema beschrijft vijf elementen: zender, boodschap, kanaal, ontvanger en ruis
- De echte waarde zit niet in de zender of de boodschap, maar in de ruis
- Er zijn vier soorten ruis; de meeste communicatieproblemen zijn terug te traceren naar één ervan
- Beperking: het model behandelt de ontvanger als een passief eindpunt – zo werkt communicatie niet
Waarom een telefoonbedrijf het communicatievak nog steeds bepaalt
Je hebt een boodschap zorgvuldig geformuleerd, via het juiste kanaal verstuurd, op het goede moment. En toch komt er iets anders aan dan je bedoelde. Geen technische storing. Geen miscommunicatie in de klassieke zin. Gewoon: iets ging ergens mis.
Dat is precies het probleem dat Claude Shannon en Warren Weaver in 1948 probeerden te beschrijven. Niet voor communicatieprofessionals – voor Bell Telephone. Hun vraag was simpel: hoe verstuur je een signaal zo efficiënt mogelijk via een kabel, zonder dat het vervormd aankomt?
Dat ze daarmee het fundament legden voor hoe communicatieopleidingen decennia lang hun vak uitlegden, is een van de meest merkwaardige dingen in de vakgeschiedenis. Want het model heeft een blinde vlek die je alleen ziet als je weet waar je naar moet kijken.
Hoe het model werkt
Het Shannon-Weaver model beschrijft communicatie als een lineair proces in vijf stappen:
- Zender – de bron van de boodschap (een persoon, een organisatie, een systeem)
- Encoder – het omzetten van de boodschap in een signaal (woorden, beelden, geluid)
- Kanaal – het medium waarlangs de boodschap reist (gesprek, e-mail, krant, brief)
- Decoder – het omzetten van het signaal terug naar een boodschap
- Ontvanger – degene voor wie de boodschap bedoeld is
En dan is er nog het zesde element, dat Shannon en Weaver oorspronkelijk tussen kanaal en ontvanger plaatsten: ruis. Alles wat het signaal verstoort onderweg.
Het schema is zo eenvoudig dat je het in vijf minuten uitlegt. Dat is ook waarom het al decennia de opening is van elke communicatietraining.
Vier soorten ruis – en waar de echte problemen zitten
Dit is het deel dat trainers meestal overslaan. Shannon beschreef ruis aanvankelijk als fysieke storing: een krakende telefoonlijn, een onleesbare fax. Maar latere communicatiewetenschappers – onder wie Wilbur Schramm – maakten het schema rijker door andere vormen van ruis toe te voegen.
- Fysieke ruis is het meest voor de hand liggende: geluidsoverlast tijdens een gesprek, een slecht leesbaar lettertype, een instabiele verbinding in een Teams-vergadering.
- Semantische ruis ontstaat als zender en ontvanger andere betekenissen geven aan dezelfde woorden. Jargon is de meest voorkomende oorzaak. Denk aan een jurist die schrijft over “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” terwijl een bewoner wil weten of er naast zijn huis een bedrijventerrein komt.
- Psychologische ruis zit in de ontvanger: vooroordelen, emoties, eerder opgebouwde weerstand. Iemand die wantrouwig staat tegenover zijn werkgever leest een reorganisatiebericht anders dan iemand die vertrouwen heeft.
- Contextuele ruis ontstaat als de omstandigheden de boodschap kleuren. Hetzelfde bericht dat rustig binnenkomt als er niks speelt, kan in een politiek geladen periode als aanval worden gelezen.
In de praktijk zie ik dat de meeste communicatieproblemen geen fysieke storing zijn. Ze zijn semantisch of psychologisch. En dat zijn precies de soorten ruis die je aanpakt met betere inhoud, betere timing of betere relatieopbouw – niet met een ander kanaal.
In de praktijk: een gemeente en de Omgevingswet
Stel dat een gemeente een brief stuurt aan alle inwoners van een wijk. Aanleiding: het omgevingsplan voor de wijk wordt gewijzigd. Dat klinkt neutraal. Het is het niet.
Ter context: de Omgevingswet trad op 1 januari 2024 in werking en bundelde zo’n 26 oude wetten – waaronder de bekende Wet ruimtelijke ordening – in één nieuw systeem. De vertrouwde bestemmingsplannen zijn sindsdien opgegaan in het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om alles om te zetten. Het systeem is complexer dan het bestemmingsplan ooit was, maar was bedoeld als vereenvoudiging. Zoals dat vaker gaat met wetgevingsoperaties van deze schaal.
De brief die de gemeente stuurt, begint zo:
“In het kader van de Omgevingswet is het voornemen genomen tot wijziging van het omgevingsplan voor het plangebied Noorderbuurt. Inzage is mogelijk via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) op het loket omgevingsloket.nl.”
Nu de analyse met het Shannon-Weaver schema:
- Zender: de afdeling Ruimtelijke Ordening van de gemeente. De boodschap is intern door juristen geschreven.
- Encoder: een standaard ambtelijke briefsjabloon. De taal is juridisch correct en precies verkeerd voor de doelgroep.
- Kanaal: een papieren brief in een witte envelop. Die ziet er voor veel mensen uit als reclame of een aanmaning.
- Ontvanger: bewoners. Gemiddeld genomen geen ervaring met het DSO, geen kennis van wat een omgevingsplanwijziging betekent voor hun dagelijks leven.
- Ruis – vier soorten tegelijk:
- Semantische ruis: termen als “plangebied”, “omgevingsplan” en “DSO” zeggen de gemiddelde bewoner niets. De naam van de wet is zelfs voor professionals nog niet volledig ingeburgerd.
- Fysieke ruis: het DSO – het digitale systeem waar de brief naar verwijst – werkte bij de invoering van de Omgevingswet aantoonbaar niet goed. Bewoners die de moeite namen, kwamen soms op doodlopende pagina’s terecht.
- Psychologische ruis: veel mensen associëren post van de gemeente met iets wat ze moeten regelen, betalen of vrezen. Die spanning kleurt hoe ze de brief lezen, nog voor ze de eerste zin uit hebben.
- Contextuele ruis: als in de wijk al discussie speelt over een bouwproject of verkeersmaatregelen, wordt elke gemeentebrief gelezen als onderdeel van dat conflict.
Resultaat: de inzagetermijn verstrijkt met minimale participatie. Niet omdat bewoners niet wilden meedenken, maar omdat de communicatie hen bij elke stap verloor. Dit is geen fout van de mensen die de brief schreven. Het is een ruisprobleem. En dat is precies waarom het Shannon-Weaver schema nuttig is: niet om te beschrijven hoe communicatie werkt, maar om terug te traceren waar het mis ging.
De kritische noot: het model ziet de ontvanger als brievenbus
Hier wordt het interessant. Shannon en Weaver beschreven communicatie als een eenrichtingsproces. De ontvanger ontvangt. Punt.
Dat klopt niet. Mensen zijn geen eindstations. Ze reageren, interpreteren, geven betekenis op basis van wie ze zijn en wat ze eerder meemaakten. Terwijl jij communiceert, verwerkt de ander al – en omgekeerd. Dat is waarom het transactionele communicatiemodel later nodig was als aanvulling.
Ik gebruik het Shannon-Weaver schema zelf regelmatig, maar nooit als beschrijving van hoe communicatie werkt. Ik gebruik het als terugkijktool. Na een mislukte campagne, een presentatie die niet landde of een bericht dat verkeerd uitpakte, loop ik het schema na: waar zat de ruis precies? Dat geeft structuur aan een gesprek dat anders in algemeenheden verzandt.
Het model is ook bewust lineair – het laat feedback grotendeels buiten beschouwing. In een echte communicatiesituatie ben je nooit alleen zender of alleen ontvanger. Maar voor het analyseren van één specifieke boodschap is die beperking ook een voordeel: je kunt de fout isoleren.
Wat doe je ermee?
Gebruik het Shannon-Weaver model als diagnoseformulier, niet als routekaart. Neem een mislukte communicatie uit je eigen praktijk en loop de vijf elementen langs. Niet om iemand de schuld te geven, maar om te zien welke soort ruis de boodschap ondermijnde.
De vraag die ik je meegeef: welke soort ruis speelt in jouw organisatie het vaakst – en is die ooit expliciet benoemd?
Verdieping: Shannon & Weavers oorspronkelijke tekst The Mathematical Theory of Communication (1948) is vrij toegankelijk online en verrassend leesbaar voor een wiskundepublicatie. Voor de communicatiewetenschappelijke doorontwikkeling is Everett Rogers’ A History of Communication Study (1994) een goede ingang.
Bronnen: Shannon, C.E. & Weaver, W. (1948). A Mathematical Theory of Communication. Bell System Technical Journal. | Rogers, E.M. (1994). A History of Communication Study. Free Press.

Geef een reactie